Met ‘Mogelijkheid tot een eiland’ heeft Houellebecq me weer eens in grote verwarring achtergelaten. Ik beschouw mezelf als een sociaal misantroop – ik geef de mensheid weinig kans, maar zolang het duurt speel ik het spelletje wel mee. Misschien is de betekenis van het woord ‘Houellebecq’ (“Hellebek”) op een of ander godvergeten, ooit door de Fransen bezet en met naaldscherpe kliffen bezaaid eilandje wel de overtreffende trap van ‘cynische, door God en mens verlaten door en door zwartgallig mens’ – in vergelijking met de personages uit zijn boeken ben ik in ieder geval de vrolijkheid, de menselijkheid, de vreugde en de positiviteit zelve. Houellebecq’s boeken geven me in feite maar twee keuzes: leven tot ik er bij neerval, ‘met 200 kilometer per uur tegen de muur’ – of toch met mijn lief op de bank, elkaar vasthoudend tot het eind der tijden ons achterhaalt als twee verschrompelde, rimpelige appeltjes. En zelfs dan ben je alleen.
Delen van ‘Mogelijkheid tot een eiland’ zijn van een steriliteit die mij mezelf willen doen onderdompelen in de massa, opgaan in de extase van duizenden – en tegelijkertijd klinkt in ieder woord van het boek de zinloosheid hiervan door. De korte momenten van vreugde en samenzijn halen Houellebecq’s personages voornamelijk uit hun meer of minder onverschillige paringen met meer of minder toegenegen partners. Zodra de roes over is gaat het leven door als vanouds. Afstandelijk, vlak, als de bekende tekening van Joost Swarte waarbij de ex-gedetineerde, nog een moment vol illusies, de gevangenis uit- en de hopeloze grauwgrijze vrijheid inloopt.
Hoewel de boeken van Houellebecq tot de allermooiste behoren die ik ken (mede dankzij de meer dan sublieme vertalingen van Martin de Haan) ben ik ze toch altijd vrij snel weer vergeten. En lees ik ze opnieuw, dan komt het me allemaal wel bekend voor, maar zoals een deja-vu je bekend voorkomt: licht onrustig makend, besluiteloosheid opwekkend, twijfel zaaiend of mijn leven geheel over een andere boeg moet of dat ik mezelf tot de gelukkigen kan rekenen die in de ogen van Houellebecq een volkomen zinloos, maar toch lang niet altijd onplezierig bestaan leiden. Wil ik meer of besef ik dat ik eigenlijk alles al heb?
Soms kost het me een nacht vol onrustige slaap om ervan doordrongen te worden dat Houellebecq het mis moet hebben. Want de eerste sneeuwklokjes bloeien alweer, er liggen spannende ontmoetingen in het verschiet, en hoe klein het allemaal ook is: het is van mij en er zitten veel juwelen (of in ieder geval gepolijste stukjes glas) tussen het schroot. En zoals de karakters uit ‘Mogelijkheid van een eiland’ in mijn hoofd alweer tot vormeloze mensachtige klei-figuren zonder duidelijke gelaatstrekken zijn getransformeerd, veranderen met de dagen ook de plaatsen en de mensen en hun gezichten tot ik ze me nauwelijks meer kan herinneren. Alleen die dichtbij zijn mogen blijven.

Laatste reacties