Voor Lotje, maar vooral voor T.

Do not stand at my grave and weep
I am not there, I do not sleep

I am a thousand winds that blow
I am the diamonds glints on snow
I am the sunlight on ripened grain
I am the gentle autumn rain

When you awaken in the morning’s hush
I am the swift uplifting rush
Of quiet birds in circled flight
I am the soft stars that shine at night

Do not stand at my grave and cry
I am not there, I did not die

Beeeeeesjes, beeeheeeheeesjes….

Zucht. Dat heb ik weer. Zit ik al met een zieke fret, moet ik toch ook voor de andere dieren zorgen. Uit dus, met Vata. Bij een redelijk vaste stek , onder een verstrengelde wilg en es, hoor ik twee eksters opgewonden kwetteren – en denk er niets van. Dan loop ik het hoge gras in met Vata. Daar zitten altijd wel katten, maar deze keer lijkt ze iets anders op het spoor. Ik volg haar en zie een hulpeloos hippende jonge ekster. Hij kan nog nog niet vliegen maar zit redelijk goed in de veren. Ik pak hem op – eksters zijn brutaaltjes, hij houdt meteen z’n snavel en maakt het zich gemakkelijk. Een rondje buren levert geen ladder op die hoog genoeg is om hem in zijn nest terug te zetten. Ik kan hem op een tak planten, maar daar dondert hij geheid weer vanaf, ten prooi aan de katten. Omdat hij al zo goed in de veren zit besluitik hem mee te nemen. Van een buurvrouw krijg ik twee eieren – het beste voedsel voor jonge vogels zolang je nog geen insectjes hebt. Shit. Morgen Hemelvaart. Dierenwinkel dicht. Dat wordt jagen in de tuin. Ik krijg hem wel groot, deze ekster. Ik heb wel raardere dieren opgevoed. Nu nog een naam. Iemand een leuk idee?

P.S.: dankzij Tijgetje heet het ekstertje nu Karel. En nou maar hopen dat hij groot en sterk wordt!

Update
De volgende dag. Het gaat goed met Karel. Ik bel met wat vogelinstanties. Tenzij ik een tamme ekster aan mij beestenboel wil toevoegen, kan ik hem beter naar de vogelopvang brengen. Daar leert hij hoe hij een wilde ekster moet zijn. Ik kijk naar Karel. Zit lekker te eten in zijn kooitje. Kijkt me aan met pientere oogjes. Als ik hem op mijn hand zet om foto’s te maken (niet zo goed gelukt, ik had geen ‘echte’ camera in huis) poept ie eerst eens lekker over m’n vingers heen. Ah ja joh, laat maar lopen. Ik kan hem nu zien. Hij heeft zijn rug naar me toe. Jasses, hoe komt het toch dat mijn hart altijd zo wijd open staat? Ik vind hem nu al lief. Een beetje van mij. Maar tussen de zieke fret en de hond, het huishouden en de tuin – nee. Het gaat niet. Karel wordt vanmiddag opgehaald door de dierenambulance, en die brengen hem weer naar de vogelopvang. Weer afscheid nemen. Adonai, pas je op Kareltje? Dattie groot en sterk wordt? Een straatschoffie?
In de kooi is Karel in slaap gevallen.

Schrik!

De hond zit te piepen in haar bench. Ik wil me, bozig, nog een keer omdraaien in mijn bed en bedenk me dan met een zucht dat, hoewel ze twee uur geleden met de opkomende zon al in de tuin geplast heeft, ze nu misschien moet poepen. Dat zit niet lekker dan, in zo’n kooi. Boven me hoor ik gestommel. Vreemd. De fretten waren, zoals meestal, los vannacht – maar die kruipen meestal op een gegeven moment zelf weer in hun kooi. Eerst boven kijken dan maar.
Ik steek mijn hoofd door het trapgat en schrik me een hartverzakking. Vlak voor de kooi is Neo, de kleinste en jongste (en ontdeugendste!) van het stel. Hij loopt moeizaam in rondjes, zijn hoofd helemaal scheef. Als ik hem oppak probeert hij zijn normale ding te doen: mijn vingers aflikken (lekker zout) en een nestje wroeten in mijn armen. Het lukt niet. Ik heb vannacht een luide bons en een piep gehoord – ik dacht dat ze een muis te pakken hadden. NU denk ik dat Neo ergens vanaf gevallen is en wellicht zijn nek gebroken heeft (ik heb een aangrijpend optimistische instelling).
Ik doe hem razendsnel in de kooi, ga weer naar beneden, kleed me aan en gooi een obligatoire tandenborstel door m’n mond, snel weer naar boven, grijp de speciale fretten-buidel, leg Neo er voorzichtig in, ga weer naar beneden, doe Vata aan de lijn en loop naar buiten – ik heb nog aan mijn portemonnee gedacht, en sleutels, maar dat is het dan ook.
Op weg naar het Zonneplein, waar de dierenarts zit, blijkt dat Vata inderdaad flink moet poepen, fijn, dat ook weer gehad, opschieten nu! Ik voel Neo rare bewegingen maken tegen mijn buik en probeer hem te stabiliseren met één hand, de andere heb ik nodig voor de hond.
Bij de dierenarts moet ik Vata mee naar binnen sleuren. Er staat iemand te keutelen bij de balie. De assistente heeft zelf fretjes weet ik, dus ik doe de rits van de buidel open en haal voorzichtig Neo’s koppie tevoorschijn. Het gekeutel wordt onmiddellijk afgebroken als ze ziet in wat voor staat Neo is, en 20 seconden later mag ik binnen komen in de behandelkamer. Tot mijn enorme opluchting constateert de dierenarts meteen dat Neo niet zijn nek gebroken heeft. Kennelijk heb ik van de spanning mijn adem zitten inhouden, want nu het verlossende woord gesproken is word ik zelf totaal draai- en zweterig. Dat gaat gelukkig snel genoeg over. Dan vertelt de dierenarts me het slechte nieuws. Neo heeft óf een oorontsteking die zijn trommelvlies geperforeerd heeft, óf hij heeft een herseninfarct gehad. Nou blijken zijn oren inderdaad allebei behoorlijk ontstoken. Eén keer per week doe ik daar onder krabbelig en kronkelig protest wat speciale olie in, die ik er dan voorzichtig weer uithaal met een wattenstaafje. Morpheus vindt dat nooit zo’n probleem, maar bij Neo moet je niet aan zijn oren komen. Dus zijn ze toch gaan ontsteken. Maar aangezien ik hem niet aan zijn oortjes heb zien krabben blijft de mogelijkheid van een infarct ook open. Hij wordt voor beide behandeld.
Er verdwijnen twee grote spuiten in Neo’s kleine lijfje. Hij weegt maar 750 gram! Dat is niet heel weinig voor een fret, maar zo in het algemeen vind ik het zelf toch maar een ielig gewichtje. Dan mag hij weer in zijn buideltje, en ik mag afrekenen. Dat wordt bruune bonen eten deze week. Kan me niet schelen. Ik krijg medicijnen mee (knijterhard, en dan in vieren delen alsjeblieft) en een zakje poeder waarmee ik een herstellende fretten-brinta kan maken.
Vata heeft een leuke hond ontdekt in de wachtkamer en nou moet ik haar wéér mee sleuren – naar buiten. Neo ligt geheel voor pampus in zijn zakje. Door de zon loop ik met enigszins opgelucht gemoed naar huis. Een oud boertje (blauwe overall, pet, klompen) zwaait vriendelijk naar me vanaf zijn antiek aandoende fiets met motortje. Je zou het bijna een mooie dag kunnen noemen…

Pepper

PepperPepper was al lang voor mij op de kinderboerderij. Je hoorde wel eens sentimentele verhalen over kinderen die hun eerste rondje op Pepper hebben gereden – in mijn tijd was ze met pensioen, een wat stijve, nukkige dame die het heerlijk vond om gemasseerd te worden in het zonnetje, die Kobus de ezel nog regelmatig zijn plaats wees en die als enige van de ponies nog krachtvoer kreeg, omdat ze mager geworden was. Pepper zal er vanaf maandagavond niet meer zijn. Ze is oud en versleten, ze heeft pijn bij het lopen en als ze gaat liggen kan ze bijna niet meer opstaan. Ze is dan ook echt erg oud, een jaar of 30 wordt er geschat. Van al die jaren heb ik er haar iets meer dan twee gekend, toen ze al niet meer in haar beste doen was. Maar dat we afscheid van haar moeten nemen valt me toch zwaar. Het was een dame met karakter, die niet al te lang geleden opeens nog huppelend hengstig ging lopen doen met Macho. Ze was niet altijd even makkelijk, maar wie zou dat wel zijn als je op zeg pakweg, je negentigste, nog heen en weer gesleept werd om geborsteld en gedaan te worden, terwijl onder je velletje nauwelijks meer spieren zaten, alleen maar botten? Lieve Pepper. Ik zal je missen. Ga maar fijn hemelen.

Do not stand at my grave and weep;
I am not there. I do not sleep.
I am a thousand winds that blow.
I am the diamond glints on snow.
I am the sunlight on ripened grain.
I am the gentle autumn’s rain.
When you awaken in the morning’s hush,
I am the swift uplifting rush
of quiet birds in circled flight.
I am the soft stars that shine at night.
Do not stand at my grave and cry;
I am not there, I did not die.

Kinderboerderij de Pijp

SPIKEY VERMIST!

Vermist

We zijn de echte Spikey kwijt! In zijn asieldossier staat onder andere: ‘ik ben de leuk uitziende Spikey, maar schijn bedriegt’. ‘Als er teveel druk op mij wordt gelegd laat ik mijn tanden zien en kan ik bijten!’. ‘Ik ben eigenlijk een hondje dat met rust gelaten moet worden’. ‘Wolf in schaapskleren’. ‘Ik ben geen hond die met katten in huis kan’. ‘Geen knuffelhondje’.

Ehm… toen wij de eerste keer Spikey gingen bezichtigen in het dierenasiel nam zijn verzorger ons mee door het doolhof van blaffende honden en daar troffen wij aan… Spikey. Een Jack Russell. Pittig beestje zo te zien. Maar dat was niet de Spikey die wij kwamen opzoeken.
Heeft iemand zijn dossier soms verwisseld? Want de Spike waar wij ons oog op hadden laten vallen en die inmiddels bijna een week hier woont, is rustig, negeert de kat en de fretten, is elke avond helemaal blij als Bubi en R. thuiskomen, laat zich zonder protest kammen en borstelen, slaapt aan mijn voeten, apporteert ballen en loopt naast de fiets of hij niets anders gewend is, eet tegelijk met en naast Bubi zonder enige woef of waf, en komt constant bij ons voor aandacht en aaien en knuffels. Hij eet zelfs zijn prednison-pillen zonder problemen (ok, een beetje smeerkaas helpt).

Wat hebben wij een mazzel met dit hondje! We vragen ons alleen een beetje ongerust af wie er nou met die wolf in schaapskleren zit opgezadeld…