Denken over niet denken

pigsatisfied1jpeg

ZuVaYa is een Porcraat. Dat is ze altijd al geweest, alleen wist ze niet hoe het heette voordat ze ‘Filosofie voor de zwijnen’ had gelezen. ZuVaYa gelooft heilig dat het beter is een tevreden varken te zijn dan een ontevreden mens. De meningen daarover lopen, zo over de menselijke geschiedenis bezien, nogal uiteen. Er zijn filosofen die beweren dat alleen slimme filosofen gelukkig kunnen zijn. En ZuVaYa zal de eerste zijn die toegeeft dat ze liever een ongelukkig mens is dan een kip in de bio-industrie – want hoewel die kip misschien maar weinig benul heeft van hoe het anders kan, zou hij (of zij) niet de middelen hebben zijn/haar leven te veranderen áls ze dat al zouden beseffen.

Het liefst zou ZuVaYa een poes zijn. Specifieker gezegd: de poes die woont in de dierenwinkel achter de viskramen op de Albert Cuyp. Dat is een tevreden poes, dat kan niet anders. Een aai van iedereen die binnenkomt, een snoepje van iedereen die naar buiten gaat, en als je geen zin meer hebt in dat gedoe aan je hoofd ga je een stukje kuieren op de markt. Als ZuVaYa haar eigen levende have zo eens bekijkt, heeft ze alle reden om jaloers te zijn. Er wordt van voor tot achter voor je gezorgd zonder dat je je daar schuldig over voelt, je hebt verdorie récht op knuffels en liefde en aandacht, en hoe ziek de baasjes zich ook voelen: beesten eerst. Menselijke hersens zijn een sta-in-de-weg voor geluk. Who needs internet als je je met een vol buikje kunt neervlijen in de straal zon die de kamer binnen schijnt, of je na je vol te hebben gegeten aan rozijntjes kan oprollen in je hangmat? Een gelukkig dier is beter af dan een ongelukkig mens. Waarschijnlijk zelfs dan een gelukkig mens. Lees deze parel voor de mensen en discussieer mee.

Wie wil een zwijn zijn?

SPIKEY VERMIST!

Vermist

We zijn de echte Spikey kwijt! In zijn asieldossier staat onder andere: ‘ik ben de leuk uitziende Spikey, maar schijn bedriegt’. ‘Als er teveel druk op mij wordt gelegd laat ik mijn tanden zien en kan ik bijten!’. ‘Ik ben eigenlijk een hondje dat met rust gelaten moet worden’. ‘Wolf in schaapskleren’. ‘Ik ben geen hond die met katten in huis kan’. ‘Geen knuffelhondje’.

Ehm… toen wij de eerste keer Spikey gingen bezichtigen in het dierenasiel nam zijn verzorger ons mee door het doolhof van blaffende honden en daar troffen wij aan… Spikey. Een Jack Russell. Pittig beestje zo te zien. Maar dat was niet de Spikey die wij kwamen opzoeken.
Heeft iemand zijn dossier soms verwisseld? Want de Spike waar wij ons oog op hadden laten vallen en die inmiddels bijna een week hier woont, is rustig, negeert de kat en de fretten, is elke avond helemaal blij als Bubi en R. thuiskomen, laat zich zonder protest kammen en borstelen, slaapt aan mijn voeten, apporteert ballen en loopt naast de fiets of hij niets anders gewend is, eet tegelijk met en naast Bubi zonder enige woef of waf, en komt constant bij ons voor aandacht en aaien en knuffels. Hij eet zelfs zijn prednison-pillen zonder problemen (ok, een beetje smeerkaas helpt).

Wat hebben wij een mazzel met dit hondje! We vragen ons alleen een beetje ongerust af wie er nou met die wolf in schaapskleren zit opgezadeld…

Wie is normaal?

BoekenOver mannen met een sterk karakter gesproken. Toen in 2003 het boek ‘Te gek om los te lopen’ van Bram Bakker uitkwam, heb ik het binnen 24 uur uitgelezen. Ik kwam toen net uit een van de zwartste periodes van mijn leven, maar wist mijn toenmalige psychiater er niet van te overtuigen dat, ehm… nou ja, eigenlijk wist ik mijn toenmalige psychiater helemaal nergens van te overtuigen; als ik tegen mijn katten praatte kreeg ik meer respons. Wanhopig werd ik er vaak van: was zij dan geen mens, begreep ze me niet, begreep ze niet dat ze van doen had met een inmiddels door een zeer harde leerschool door de wol geverfde mondige patiënt? Of was ik toch echt gek?

Toen ik het boek van Bram las vielen mij de schellen van de ogen. Ik was niet gek, ik had de verkeerde psychiater! Dat vermoeden had ik al heel lang, maar ja, elke keer als ik in mijn wanhoop iets mompelde over psychiaters switchen begonnen zij (niet alleen de psych, maar ook de anderen waar ik mee te maken had van het GGZ) over ‘diagnose-bevestigend gedrag’, ‘aandacht-zoekende persoonlijkheid’ en meer van dat soort kretologie. Geen zin in, laat maar, ik was al zo moe, ik wou niet meer vechten, ik wou gewoon zijn. Niet eens gelukkig, maar gewoon zijn.

In 2004 was ik in ieder geval weer gewoon genoeg om de knoop door te hakken. Ik wilde weg bij het GGZ, en wel zo snel mogelijk. Ik heb de stoute schoenen aangetrokken (inmiddels was Bram natuurlijk een zeer veelgevraagd psychiater en hij hield maar één dag per week privé-praktijk) en hem een e-mail gestuurd. Want dat kon, een e-mail sturen: hij heeft een eigen site, en daar stond zomaar zijn e-mail adres op.

Mijn verbazing kende geen grenzen toen hij me een paar dagen later opbelde (hij – de psychiater – mij – de patiënt – bellen! Ze hebben mijn onderkaak van de vloer moeten rapen geloof ik) en zei dat hij me wel wilde behandelen. Er zat een muizestaartje aan vast, het zou namelijk gefilmd worden voor de documentaire ‘De dwarse psychiater’ van Hans Polak – maar het kon mij niet schelen wie mijn verhaal zou kennen. Hopelijk zou het, naast publiciteit voor Bram, ook publiciteit voor de situatie van de psychiatrische patiënt opleveren.

De eerste keer dat ik Bram ontmoette was dus zéér naturel (not) met een microfoon boven mijn kop en een camera in mijn gezicht. Het bleek niet uit te maken. We gingen snel door mijn geschiedenis, stelden vast dat ik het gewroet in mijn verleden wel zat was, dat ik depressief was en dus een anti-depressivum nodig had – die mij eerder geweigerd waren omdat ik daar wel eens manisch van zou kunnen worden. Ja, dat gebeurt soms, bij bipolairen, maar ik heb altijd het sterke gevoel gehad dat mijn depressies mij een stuk meer in de weg zaten dan mijn manies (die waren kort en heftig en bovendien de kop in te drukken met veel benzo’s, die ik ook al niet kreeg). Binnen een uur stond ik weer buiten met een stapel recepten waar Bram en ik het geheel over eens waren – niet dat gedoe van ‘Wat wilt u zélf?’ en dan toch iets anders krijgen – en het gevoel dat ik tegenover een mens had gezeten. Een mensch, zelfs.

Drie maanden later (ik had Bram in de tussentijd nog twee keer gezien) ging het stukken beter met me. Alsof mijn kop eindelijk van die nare vissekom was verlost. Dingen vielen op z’n plaats. Ik functioneerde beter, mijn vrienden schrokken niet meer als ik ze eens zomaar opbelde (dat was daarvoor altijd slecht nieuws – wéér een crisis), ik deed zelfs wat freelance werk, ik begon serieus aan mijn autonome kunst. Ik ging op vakantie met mijn moeder zonder me opgefokt te voelen, integendeel, ik voelde me sterk en weerbaar en in staat om dingen van me af te laten glijden als ze me niet bevielen.

Een jaar verder woon ik samen met vriend R., hebben we een huis gekocht en staan onze eigen huizen in de verkoop. Makelaars, notarissen, aannemers, verhuizers – het begon mij wat te duizelen en een bekend gevoel stak de kop op: mijn hoofd stond op het punt om uit elkaar te spatten. Met een mailtje naar Bram en een gesprek via de telefoon, gevolgd door een persoonlijk gesprek, was de balans al weer een stuk hersteld. Geen nieuwe medicijnen, maar gewoon wat meer van het een en wat minder van het ander. Mijn aanleg voor manies en depressies zal er altijd zijn, maar ik hoef nu niet meer van crisiskliniek naar co-assistent naar een voor mij volledig onbekende psychiater omdat mijn vaste behandelaar er weer eens niet is. Bij elke instantie moest ik steeds weer dezelfde drek ophalen, een vertrouwensband proberen te bouwen met iemand die ik daarna hoogstwaarschijnlijk nooit meer zou zien, om vervolgens tóch niet die medicijnen (of die hoeveelheden) te krijgen waarvan ik wist dat ze hielpen. Als ik nu voel dat er iets ten slechte verandert is mijn psychiater hooguit een smsje ver weg. En alleen al dat idee is zo prettig, dat ik mezelf vertrouw en Bram niet lastig val met gebeurtenisjes die me vroeger uit het raam deden willen springen.

Nu is het vervolg van ‘Te gek om los te lopen’ uit, ‘Te zot voor woorden’. Omdat ik tegenwoordig geen slapeloze nachten meer heb kostte het me iets langer om het uit te lezen. Het is ook een heel ander boek. Minder schopperig, minder fel, minder persoonlijk. Objectiever, beter onderbouwd. Had ik dat twee jaar geleden gelezen, dan weet ik niet of ik me zo persoonlijk aangesproken had gevoeld. In dat stadium had ik het GGZ collectief z’n nek willen omdraaien, en ‘Te gek om los te lopen’ sloot daar precies bij aan. Misschien is Bram ook rustiger geworden, of vond hij het toch niet zo leuk dat zijn collega’s zo over hem heen vielen. Weet ik het, ik ben de psychiater niet. Veel van wat er in ‘Te zot voor woorden’ staat is even waar en nauwkeurig als dat wat in ‘Te gek om los te lopen’ te lezen valt, en ik ben het met de meeste zaken die Bram aanroert hartgrondig eens. Maar het raakt me minder. Of dat nou door het boek komt of door mijn gemoedsgesteldheid, who knows. Who cares. Het zijn aanraders voor patiënten die in hun hart weten dat het anders moet kunnen, en het zijn must-reads voor elke collega van Bram die ooit tegen een patiënt gezegd heeft: ‘Juist ja. En wat wil je dan zelf?’ – en die eventueel uitgesproken wens vervolgens zonder meer naast zich neer heeft gelegd.

Voor degenen die menen dat Ik Bram teveel ophemel: bite me. Ik ben er weer. En ik weet niet of ik er zonder Bram nog geweest zou zijn.

Bram Bakker online
‘De dwarse psychiater’, documentaire van Hans Polak

P.S.: Bram’s privé-praktijk zit vol, helaas.