Geheugenpaleizen

Ik ben een enorme fan van Hannibal Lecter. Met uitzondering van zijn kannibalisme is dit de perfecte erudiete man: oneindig veelwetend, de smaak (uh… in de goede zin van het woord) van een ware connaisseur, een niet bij te houden IQ en – een geheugenpaleis.
Geheugenpaleizen ontstonden in de tijd van de Grieken. Een of andere Griek gaf een schranspartijtje, en terwijl een van de gasten even buiten stond (een sigaretje roken ofzo, geen idee) stortte het huis van de gastheer in. Door het geheugen van de meneer buiten konden alle doden geïdentificeerd worden: hij kon precies voor de geest halen waar iedereen gezeten had.
De Romeinen hebben dit visuele geheugen verder uitgewerkt. De senatoren konden ellenlange toespraken uit hun hoofd opzeggen, omdat ze werkten met de metafoor van een huis: eerst de inleiding. Dat is de hal. In die hal staat een beeld dat iets uitbeeldt dat de spreker wil zeggen. De dingetjes er omheen komen vanzelf wel. Vervolgens betreed de spreker in zijn hoofd de patio, en de volgende kamer, en de volgende – allemaal tjokvol visuele afbeeldingen die hem helpen herinneren welk gedeelte van zijn toespraak nu aan de beurt is. Een soort begin-van-de-jaartelling-autocue.
Later werden geheugenpaleizen, zoals ze bekend stonden, gebruikt om meer algemene informatie op te slaan. Als je een recept wilde hebben, kon je waarschijnlijk het beste naar de keuken. Voor de verjaardag van je neefje raadpleegde je de verjaarskalender op de wc. Dat soort dingen.
Hannibal heeft een enorm geheugenpaleis. ‘Memory is what I have instead of a view’, zegt hij zelf. Het is voor hem zo echt dat zelfs als men hem in zijn oog steekt met een electrische vee-stok, hij het paleis binnen kan gaan om zijn pijnlijke oog tegen een koel marmeren beeld te leggen.
Toen ik dat gelezen had was mijn belangstelling gewekt. Talloze boeken heb ik erover verslonden (The Memory Palace of Matteo Ricci, The Art of Memory, Chambers for a Memory Palace, The Memory Palace of Isabella Stewart Gardner) en ik ben zelfs aan mijn eigen geheugenhuis gaan werken. Nooit veel verder gekomen dan een keuken meteen koelkast waar wat dingen instonden (boodschappenlijstje…). Niet zo gek overigens dat ik niet ver kwam – eigenlijk moet je beginnen met het bouwen van je paleis op zeer jonge leeftijd.
Toen ik ecologisch groenbeheer ging studeren moest ik zo’n 200 planten leren kennen – Nederlandse naam, Latijnse naam, soort grond, soort licht, omgeving. Dat zijn dingen die ik haat om uit mijn hoofd te leren. In plaats van een geheugenpaleis heb ik een soort rudimentair geheugenlandschap aangelegd. Terwijl ik het paadje afliep – door het bos, het grasland, droge heide, zompige rietvelden, langs het beekje en zelfs door een dorpje – groeiden daar de bloemen, planten, heesters en bomen die ik moest kennen. Wat zal ik dromerig hebben zitten kijken tijdens het determineren van de bos bloemen en takken op de examentafel! Helaas was het van korte duur. Hoewel ik nog precies weet hoe het paadje eruit zag, de omgeving, de heuvel rechts in de verte, de bemoste stenen bij de beek waar ik mijn voeten even in kon laten afkoelen – en ik zie ook nog wel planten en bomen natuurlijk, maar hoe ze héten? En of ze op de goede plek staan? Geen idee. Gelukkig is het 2009. Ik Google het wel even.

Schrik!

De hond zit te piepen in haar bench. Ik wil me, bozig, nog een keer omdraaien in mijn bed en bedenk me dan met een zucht dat, hoewel ze twee uur geleden met de opkomende zon al in de tuin geplast heeft, ze nu misschien moet poepen. Dat zit niet lekker dan, in zo’n kooi. Boven me hoor ik gestommel. Vreemd. De fretten waren, zoals meestal, los vannacht – maar die kruipen meestal op een gegeven moment zelf weer in hun kooi. Eerst boven kijken dan maar.
Ik steek mijn hoofd door het trapgat en schrik me een hartverzakking. Vlak voor de kooi is Neo, de kleinste en jongste (en ontdeugendste!) van het stel. Hij loopt moeizaam in rondjes, zijn hoofd helemaal scheef. Als ik hem oppak probeert hij zijn normale ding te doen: mijn vingers aflikken (lekker zout) en een nestje wroeten in mijn armen. Het lukt niet. Ik heb vannacht een luide bons en een piep gehoord – ik dacht dat ze een muis te pakken hadden. NU denk ik dat Neo ergens vanaf gevallen is en wellicht zijn nek gebroken heeft (ik heb een aangrijpend optimistische instelling).
Ik doe hem razendsnel in de kooi, ga weer naar beneden, kleed me aan en gooi een obligatoire tandenborstel door m’n mond, snel weer naar boven, grijp de speciale fretten-buidel, leg Neo er voorzichtig in, ga weer naar beneden, doe Vata aan de lijn en loop naar buiten – ik heb nog aan mijn portemonnee gedacht, en sleutels, maar dat is het dan ook.
Op weg naar het Zonneplein, waar de dierenarts zit, blijkt dat Vata inderdaad flink moet poepen, fijn, dat ook weer gehad, opschieten nu! Ik voel Neo rare bewegingen maken tegen mijn buik en probeer hem te stabiliseren met één hand, de andere heb ik nodig voor de hond.
Bij de dierenarts moet ik Vata mee naar binnen sleuren. Er staat iemand te keutelen bij de balie. De assistente heeft zelf fretjes weet ik, dus ik doe de rits van de buidel open en haal voorzichtig Neo’s koppie tevoorschijn. Het gekeutel wordt onmiddellijk afgebroken als ze ziet in wat voor staat Neo is, en 20 seconden later mag ik binnen komen in de behandelkamer. Tot mijn enorme opluchting constateert de dierenarts meteen dat Neo niet zijn nek gebroken heeft. Kennelijk heb ik van de spanning mijn adem zitten inhouden, want nu het verlossende woord gesproken is word ik zelf totaal draai- en zweterig. Dat gaat gelukkig snel genoeg over. Dan vertelt de dierenarts me het slechte nieuws. Neo heeft óf een oorontsteking die zijn trommelvlies geperforeerd heeft, óf hij heeft een herseninfarct gehad. Nou blijken zijn oren inderdaad allebei behoorlijk ontstoken. Eén keer per week doe ik daar onder krabbelig en kronkelig protest wat speciale olie in, die ik er dan voorzichtig weer uithaal met een wattenstaafje. Morpheus vindt dat nooit zo’n probleem, maar bij Neo moet je niet aan zijn oren komen. Dus zijn ze toch gaan ontsteken. Maar aangezien ik hem niet aan zijn oortjes heb zien krabben blijft de mogelijkheid van een infarct ook open. Hij wordt voor beide behandeld.
Er verdwijnen twee grote spuiten in Neo’s kleine lijfje. Hij weegt maar 750 gram! Dat is niet heel weinig voor een fret, maar zo in het algemeen vind ik het zelf toch maar een ielig gewichtje. Dan mag hij weer in zijn buideltje, en ik mag afrekenen. Dat wordt bruune bonen eten deze week. Kan me niet schelen. Ik krijg medicijnen mee (knijterhard, en dan in vieren delen alsjeblieft) en een zakje poeder waarmee ik een herstellende fretten-brinta kan maken.
Vata heeft een leuke hond ontdekt in de wachtkamer en nou moet ik haar wéér mee sleuren – naar buiten. Neo ligt geheel voor pampus in zijn zakje. Door de zon loop ik met enigszins opgelucht gemoed naar huis. Een oud boertje (blauwe overall, pet, klompen) zwaait vriendelijk naar me vanaf zijn antiek aandoende fiets met motortje. Je zou het bijna een mooie dag kunnen noemen…

Multiple inspiration

Ik probeer mijn kunst natuurlijk niet naar die van iemand anders te modelleren, maar er zijn werken die ik graag zelf gemaakt zou hebben, en één van de kunstenaars wiens resumé me enorm aanspreekt is dat van Maurizio Cattelan.

Het eerste werk dat ik van hem zag was het hierbij afgebeelde ‘Bidibidobidiboo’. Dat de opgezette eekhoorn volkomen uit z’n natuurlijke context is gehaald vind ik niet vreemd. We zijn tenslotte allemaal opgegroeid met pratende beren, aangeklede eenden, muizen met een heel eigen imperium. Daar hoef ik niet over na te denken, dat is niet controversieel.
Wat ik me meteen afvroeg toen ik dit kunstwerk zag was: waarom? Waarom zou deze eekhoorn zo ongelukkig zijn geweest dat hij zelfmoord heeft gepleegd? Wat kan een eekhoorn zo ongelukkig maken? Andere, misschien minder belangrijke vragen die door mijn hoofd schoten waren: waar heeft hij dat pistooltje vandaan? En hoe heeft hij zichzelf doodgeschoten, terwijl je nergens bloed ziet?
De vragen zijn onbeantwoord, althans door Maurizio Cattelan, en dan kom je in de categorie kunst waar ik het meeste van houdt: beeldend, maar multi-interpretabel. Je mag er van denken wat je wilt, als je maar dénkt. Geen voorgekauwde happen.
Later kwam ik nog veel meer werk van Cattelan tegen, ging er naar op zoek. De twee versies van ‘De Bremer Stadsmuzikanten’ – in Münster. De kleine biddende Hitler. Juist het feit dat het beeld niet life-size is maakt het iets om over na te denken. De Paus, getroffen door een meteoriet. Het moeie paard met de veel te lang uitgerekte benen, de kapotte hoeven. Het paard dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld herten- en zwijnenhoofden, met zijn achterlijf aan de muur hangt. De met duct-tape aan de muur geplakte manager van Cattelan.
Cattelan is beroemd. Hij heeft het geld en de ruimte (en de opdrachtgevers) om groot te werken. Iets om na te streven. Maar in het uitzinnige geval dat ik geen wereldberoemd kunstenaar word, in ieder geval genoeg om over na te denken. Dat is bijna nog leuker dan zelf kunst maken: nadenken.

Zelfkijken